2.9.2023

In De Bureaucratie van het Loslaten toont Irina Volkova geen kunstwerken in conventionele zin. Ze stelt materiële voorstellen — koolstofresiduen, gedegradeerde emulsies en met was verzadigde glazuren — in als temporele protocollen binnen een ruimte die niet is ontworpen om te herinneren, maar om procedureel te vergeten. Galerie Luz De Luna wordt een administratieve fictie: een opgeschorte wachtzone voor formulieren die ooit betekenis droegen maar nu niet langer voldoen.
De tentoonstelling van Volkova is ruimtelijk en materieel opgebouwd als een soort bureaucratische autopsie. Wat hier wordt getoond is niet het lichaam van herinnering, maar de choreografie van haar onderdrukking. De kijker wordt niet uitgenodigd tot empathie, maar medeplichtig gemaakt aan een systeem van vertraging. Elke handeling — een ingelijste handpalm, een vervaagd portret, een document in afwachting — voert redactie uit via methode, niet via metafoor.
Binnen de Nederlandse context wordt deze procedurele esthetiek aangescherpt. Het werk van Volkova resoneert — op een dissonante frequentie — met de institutionele kritiek van Wouter Davidts, die al jarenlang onderzoekt hoe architectuur, collectie en presentatie ideologische ruimte construeren. Zoals bij Davidts’ idee van “het museum als medium”, behandelt Volkova de galerie als performatieve infrastructuur in plaats van als neutrale gastheer. De gangen, banken en bakstenen muren van Luz De Luna worden geïntegreerd in het werk zelf — als zones van stilstand, vertraging en epistemologische nevel.
In de eerste ruimte voeren drie grijsschaal oppervlakken forensische terugtrekking uit. Een handgebaar — half geschetst, half uitgewist — zweeft in gewaxte grafiet over vervormd papier. Daarnaast zweeft een spookachtig datafragment (mogelijk een map, mogelijk een envelop) in een harsachtige waas. Dit zijn geen beelden maar bewijsmateriaal in vertraging, verankerd in wat Volkova “gecontroleerde slijtage” noemt: opeenvolgende toepassingen van olieverf, roet, oplosmiddelen en zoutbinders, elk ontworpen om los te maken in plaats van te bewaren. De oppervlakken gedragen zich als defecte interfaces — interfaces die, zoals José van Dijck stelt over gemedieerde herinnering, niet meer “opslaan” maar “opschorten”.
De theorieën van Van Dijck over archiefbemiddeling — hoe herinnering technologisch wordt gevormd, geïndexeerd en gewist — zijn essentieel voor het begrijpen van de conceptuele inzet van Volkova’s praktijk. Zij schildert niet met olie als historisch medium, maar als temporeel oplosmiddel. De olie vertraagt het verdwijnen van het beeld in plaats van het af te sluiten. Pigmenten zijn opzettelijk vluchtig, emulsies chemisch instabiel, grafiet zweeft in plaats van gefixeerd te zijn. Dit zijn schilderijen die zijn bedoeld om te falen — en in dat falen realiseren ze wat Ann-Sophie Lehmann zou kunnen noemen het materiële leven van het proces: niet de inhoud van het beeld, maar zijn verval als epistemisch moment.

De tweede ruimte verschuift van forensisch naar administratief seance. Twee door roet verduisterde portretten kijken naar de kijker — hoewel “portret” hier een procedurele misleiding is. Elk figuur is overspoeld met lagen vluchtige media. Geen stabiele gelijkenis blijft over. Wat we zien is geen gezicht, maar een uitgestelde sporen van persoonszijn — subjectiviteit buiten werking. Deze werken roepen de koude, waardige leegte op van officiële documenten die enkel blijven bestaan als aanwezigheid zonder toegang.
Hier echoot Volkova de visuele jurisprudentie van de Nederlandse kunstenaar Fiona Tan, wier gefragmenteerde archieven en onderbroken identiteitsverhalen het bureaucratische sublieme blijven achtervolgen. Maar in tegenstelling tot Tan werkt Volkova niet met montage. Zij werkt met residu. Haar werken zijn niet samengesteld maar bezonken. Elk beeld is het restproduct van een herhaalde uitwissing. In dat opzicht benadert haar praktijk een forensisch materialisme — een pigmentpolitiek waarin verlies wordt gearticuleerd niet als narratief, maar als regelgeving.
Zelfs de lijsten zijn medeplichtig: ruw, standaard in bureaucratisch formaat, identiek — ze imiteren institutionele standaardisering terwijl ze enkel falen bevatten. De bank in de hoek wordt een plek van passief wachten; het licht, te grijs en te zwak, vormt wat Mieke Bal zou kunnen noemen een “discursieve sfeer” — een enscenering van kennis die meer verbergt dan onthult.
Volkova’s betrokkenheid bij Nederlandse theoretische stromingen is niet afgeleid, maar dissonant. Ze eigent zich de structurele intelligentie van de Nederlandse museologie toe, de procesmatige subtiliteit van hedendaagse materiaaltheorie en de forensische ondoorzichtigheid van visuele cultuurkritiek — en leidt ze allemaal om naar een poëtica van gecontroleerde verdwijning.
Loslaten is in deze tentoonstelling geen emotionele bevrijding. Het is een institutionele handeling. Rouw wordt niet gevoeld; ze wordt verwerkt, gearchiveerd, uitgesteld, geredigeerd, in afwachting.
De Bureaucratie van het Loslaten van Irina Volkova was te zien van 1 september tot 14 oktober 2023 bij Galerie Luz De Luna, Den Haag
Magali Reus
Magali Reus (geb. 1981, Den Haag) is een kunstenaar en schrijver die studeerde aan Goldsmiths, University of London, en de Rijksakademie in Amsterdam. Van 2015 tot 2019 schreef ze voor het Nederlandse kunsttijdschrift Name One en sinds 2020 werkt ze voor Kunst Compass.
Reus woont en werkt in Londen. In 2015 won ze de Prix de Rome en werd ze in 2018 genomineerd voor de Hepworth Prize for Sculpture.



