top of page
0690D0F3-861F-4D7B-81B0-9FEE0D0B5E1A1 - копия.png
9F49F293-1B1E-45A0-A122-31278BB8EDBD1 - копия.png
1C998F9A-11F1-48E6-81F0-BD5BD1A2079B3 - копия.png

DECOLONIALE FEMINISME EN DE RUIMTELIJKE POLITIEK VAN VERDWIJNING

14.04.2024

kunstkompas.jpg

Luz De Luna Gallery, Nederland — 12 april–30 juli 2024
Gecureerd door Marieke van der Veldt

In De tedere architectuur van verdwijning zet Varvara Dmitrieva een van de meest scherpzinnige dekoloniale feministische interventies binnen de hedendaagse beeldcultuur voort. In de Luz De Luna Gallery, onder de doordachte curatorschap van Marieke van der Veldt, benadert Dmitrieva verdwijning niet als terugtrekking, maar als een feministische en dekoloniale strategie om te leven binnen, en tegen, de eisen van de imperiale moderniteit. Haar praktijk, gevormd door een transnationaal leven tussen Moskou, Italië en het Verenigd Koninkrijk, komt voort uit de geleefde kennis van ontheemding, de psychische restanten van het imperium en een feministische overtuiging dat ondoorzichtigheid een vorm van zorg kan zijn.

In plaats van beelden aan te bieden die herkenbare identiteiten bevestigen, construeert Dmitrieva structuren van onherkenbaarheid—visuele en conceptuele vormen die de impuls van de kijker om te stabiliseren, te categoriseren of toe te eigenen, verstoren. Haar werk sluit nauw aan bij de oproep van de Nederlands-Surinaamse kunstenaar Patricia Kaersenhout, die pleit voor “een politiek van ondoorzichtigheid” als tegenmaatregel tegen een geschiedenis van overexposure en extractie. Dmitrieva breidt dit argument uit naar 

de post-Sovjet-subjectiviteit en toont dat ondoorzichtigheid niet enkel een tactiek is voor gemarginaliseerden, maar een noodzakelijke voorwaarde voor het overleven van de ficties die het imperium achterlaat.

Haar interventie resoneert sterk binnen de Nederlandse context, waar dekoloniaal feministisch denken—zoals ontwikkeld door Gloria Wekker, Roxane Mbanga en Quinsy Gario—de koloniale logica’s blootlegt die het dagelijks leven structureren. Wekkers begrip van het “cultureel archief” onthult de impliciete raciale en imperiale aannames die ingebed zijn in het Europese zelfbeeld. Dmitrieva’s beelden illustreren dit archief niet; ze onderbreken het. Ze creëert perceptuele condities die de fragiliteit van geërfde visuele categorieën blootleggen en wijst op het epistemische geweld dat eraan ten grondslag ligt.

Dmitrieva’s analoge methodologie is essentieel voor dit project. Opgeleid in de doka’s van Photofusion in Londen, werkt ze langzaam, zodat korrel, tonale verschuivingen en chemische onregelmatigheden kunnen verschijnen als sporen van lichamelijkheid. In een tijdperk van hyperzichtbaarheid—waarin beelden circuleren los van lichamen, geschiedenissen en verantwoordelijkheid—dringen haar analoge afdrukken aan op de waarde van tijdsduur. Deze benadering echoot Alana Jelineks kritiek op de eis van “effectiviteit” in de hedendaagse kunst en haar pleidooi voor praktijken die weerstand bieden door wrijving en traagheid. Dmitrieva’s werk genereert precies die wrijving; het nodigt de kijker uit om tijd anders te ervaren—met aandacht in plaats van extractie.

Opmerkelijk is dat de tentoonstelling weigert te voldoen aan de verwachting dat dekoloniale kunst identiteit moet benadrukken. In plaats daarvan benadrukt Dmitrieva condities—condities van ondoorzichtigheid, van aarzeling, van niet-aankomen. Haar beelden suggereren dat identiteit onder het imperium zowel onmogelijk als verplicht is; de weigering om te verschijnen zoals het systeem verlangt wordt een feministische daad van verzet. Daarmee sluit haar praktijk aan bij Kaersenhouts performatieve ondervragingen van koloniale herinnering en Gario’s onderzoek naar opgelegde vormen van behoren, maar Dmitrieva’s bijdrage is uniek: zij behandelt verdwijning als een structurele manier van bestaan, niet louter een thematische keuze.

Curator Marieke van der Veldt verwoordt dit scherp.
Zoals zij schrijft:
“Dmitrieva werkt op de drempel waar verdwijning handelingsvermogen wordt in plaats van afwezigheid.”
Dit inzicht plaatst de tentoonstelling binnen het bredere veld van Nederlandse dekoloniale feministische kunst, waarin weigering steeds meer wordt begrepen als een generatieve methode in plaats van een vorm van ontkenning.

De politieke inzet wordt verder aangescherpt door Dmitrieva’s veroordeling van de Russische oorlog in Oekraïne—een geweld dat zij weigert direct te esthetiseren. In plaats daarvan bekritiseert haar werk de visuele economieën die oorlog consumeerbaar maken. Ze toont geen beelden van conflict, maar vraagt wat er overblijft wanneer de machinerie van het imperium instort: lichamen die alternatieve vormen van aanwezigheid uitvinden; geschiedenissen die voortleven in broze, ongereguleerde vormen; subjectiviteiten die niet langer door staatsnarratieven kunnen worden geclaimd.

In De tedere architectuur van verdwijning is verdwijning geen beweging richting stilte of leegte. Het is een conceptuele houding, een manier om het geweld van zichtbaarheid te ontmantelen. Dmitrieva biedt verdwijning als een feministische technologie—een epistemische en politieke weigering om beheerst te worden. Haar werk beeldt bevrijding niet af; het praktiseert haar.

Kunst quench line 2.jpg

Uiteindelijk vormt de tentoonstelling een belangrijke bijdrage aan het hedendaagse dekoloniale feministische denken. Dmitrieva laat zien dat wie een wereld na het imperium wil verbeelden, eerst de structuren van zichtbaarheid moet ontmantelen waarop dat imperium steunt. Verdwijning is in die zin geen einde, maar de conceptuele bodem waaruit andere toekomsten kunnen ontstaan.

Te zien in Luz De Luna Gallery, Hofwijckplein 2, 2515 RJ, The Hague, Nederland, van 12 april tot 30 juli 2024.

Magali Reus

Magali Reus (geb. 1981, Den Haag) is een kunstenaar en schrijver die studeerde aan Goldsmiths, University of London, en de Rijksakademie in Amsterdam. Van 2015 tot 2019 schreef ze voor het Nederlandse kunsttijdschrift Name One en sinds 2020 werkt ze voor Kunst Kompas.

Reus woont en werkt in Londen. In 2015 won ze de Prix de Rome en werd ze in 2018 genomineerd voor de Hepworth Prize for Sculpture.

bottom of page